Wanneer is art. 185 WvW van toepassing?

De Wegenverkeerswet (WvW) maakt onderscheid tussen zwakke verkeersdeelnemers en sterke verkeersdeelnemers. Zwakke verkeersdeelnemers lopen een groter risico op ernstig letsel als zij betrokken raken bij een ongeluk met een sterke verkeersdeelnemer. Om deze ongelijkheid enigszins te compenseren en de zwakke verkeersdeelnemers wettelijk extra te beschermen is in de Wegenverkeerswet artikel 185 WvW opgenomen.

Wanneer bent u een zwakke verkeersdeelnemer? In welke situaties is dit artikel van toepassing en hoe kunt u als zwakke verkeersdeelnemer uw letselschade claimen?

Als u vragen over artikel 185 WvW heeft, of bij een verkeersongeval letselschade opgelopen heeft, neem dan contact op met een letselschade jurist. Een letselschade jurist heeft veel ervaring met deze materie en kan u helpen de maximale schadevergoeding te claimen.

Wat zijn zwakke verkeersdeelnemers?

Onder zwakke verkeersdeelnemer in de zin van art. 185 WvW verstaat men verschillende groepen verkeersdeelnemers:

• Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers
• Kinderen jonger dan 14 jaar
• Stilstaande objecten

Uiteraard zijn kinderen jonger dan 14 jaar per definitie ongemotoriseerde verkeersdeelnemers, maar omdat zij een aparte plek innemen binnen art. 185 WvW worden zij apart genoemd.

Onder ongemotoriseerde verkeersdeelnemers vallen alle verkeersdeelnemers die zich op de openbare weg bevinden zonder dat zij daarbij een gemotoriseerd vervoermiddel gebruiken. Niet alleen fietsers en wandelaars, ook mensen die bijvoorbeeld ergens op straat zitten, vallen onder de zwakke verkeersdeelnemers. Zij nemen niet direct deel aan het verkeer maar bevinden zich wel op de openbare weg.

Tenslotte vallen ook bomen, vangrails en bijvoorbeeld huizen onder de zwakke verkeersdeelnemers in de zin van art. 185 WvW. Hoewel zij niet deelnemen aan het verkeer, bevinden deze objecten zich wel op de openbare weg.

Sterke verkeersdeelnemers

Onder sterke verkeersdeelnemers vallen alle bestuurders van motorvoertuigen zoals een auto, vrachtwagen, vuilniswagen, motorfiets, scooter en brommer. Zij worden aangemerkt als sterke verkeersdeelnemer omdat zij zich over het algemeen met een hogere snelheid voortbewegen en de inzittenden enigszins beschermd zijn door het voertuig zelf. Dit geldt in mindere mate voor brommers, scooters en motoren, hoewel ook zij enigszins zijn beschermd door bijvoorbeeld een helm.

De toepassing van art. 185 WvW

Art. 185 WvW is van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

• Er is sprake van een verkeersongeval tussen een motorrijtuig en een niet-motorrijtuig
• Het motorrijtuig heeft op een voor het verkeer openstaande weg gereden

Het wetsartikel geldt dus niet bij een verkeersongeval tussen twee motorvoertuigen.

Als aan bovenstaande voorwaarden is voldaan, treedt art. 185 WvW in werking. Dit betekent dat de zwakke verkeersdeelnemer minimaal 50% schadevergoeding zal krijgen. Is de zwakke verkeersdeelnemer jonger dan 14 jaar, dan heeft deze recht op 100% schadevergoeding.

Overmacht

De aansprakelijk partij kan een beroep doen op overmacht indien art. 185 WvW van toepassing is. Overmacht wordt niet snel aangenomen. De bestuurder van een gemotoriseerd voertuig kan alleen succesvol een beroep doen op overmacht als hij of zij foutloos heeft gereden en de fout van de zwakke verkeersdeelnemer zo onwaarschijnlijk was dat de ander daarmee geen rekening behoefde te houden. Een voorbeeld zou kunnen zijn dat een voetganger ‘s nachts, gekleed in donkere kleding, de snelweg oversteekt.

Eigen schuld benadeelde

Tenslotte kan de sterkere verkeersdeelnemer nog een beroep doen op wat we ‘eigen schuld benadeelde’ (de zwakke verkeersdeelnemer) noemen nadat is vastgesteld dat art. 185 WvW van toepassing is. Tenzij de zwakke verkeersdeelnemer jonger dan 14 jaar is, want zij hebben immers altijd recht op 100% vergoeding van alle letselschade.

Bij zwakke verkeersdeelnemers van 14 jaar en ouder kan wel sprake zijn van ‘eigen schuld benadeelde’ en zij kunnen dus wel ten dele aansprakelijk gesteld worden. Zwakke verkeersdeelnemers behouden daarbij wel altijd hun recht op een minimale schadevergoeding van 50%. Van deze regel kan alleen worden afgeweken indien er aantoonbaar sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. In de praktijk komt dat echter vrijwel niet voor.

Indien sprake blijkt van eigen schuld, zal een percentage tussen de 50% en 100% worden vastgesteld. De zwakkere verkeersdeelnemer krijgt dan tussen de 50% en 100% van alle letselschade vergoed.

Causale verdeling en billijkheidscorrectie

Is er sprake van eigen schuld, dan zal na onderhandeling tussen de partijen worden vastgesteld om welk percentage aan schadevergoeding het dient gaan. Soms zal de rechter hierover een uitspraak doen (causale verdeling). Hiervoor zijn geen vaste regels omdat het per verkeersongeval verschillend is hoe deze verdeling eruit ziet. Ook de gevolgen voor de verkeersdeelnemers die betrokken waren bij het ongeval spelen een rol bij de uiteindelijke vaststelling van het percentage dat u aan schadevergoeding krijgt uitgekeerd. Er kan een billijkheidscorrectie wordt toegepast. Een ervaren letselschade jurist kan u vertellen wat dit precies voor u betekent.